Anderen moesten altijd meer dan mij eten

Gepubliceerd op 27 november 2023 om 06:30

Ik kan me nog goed herinneren hoe erg ik vroeger altijd gefocust was op de ander. Naast dat ik constant in mijn hoofd bezig was met wat ik zelf wel of niet mocht eten, was ik namelijk ook enorm obsessief bezig met wat mensen om mij heen aten.

 

Als ik met vrienden of familie was, zorgde ik er altijd voor dat zij meer dan mij aten. Ik moest altijd degene zijn die het minste at. Dat was een soort regel in mijn hoofd die absoluut niet doorbroken mocht worden. Als ik namelijk minder at dan de ander, dan was ik goed bezig. Alsof het me een soort ‘kick’ gaf. Het leek bijna een wedstrijdje. 

 

Vanuit die regels in mijn hoofd ging ik bizarre dingen doen en was het voor mijn ouders en zusje vaak enorm frustrerend om met mij aan tafel te zitten. Ik zorgde heel goed voor de mensen om me heen… Of misschien zorgde ik juist helemaal niet goed voor de mensen om me heen. Het ging me namelijk niet om hun. Als ik echt heel eerlijk naar mezelf kijk, dan ging het me destijds maar om één ding: dat ik de beste was in zo weinig mogelijk eten. Ik kon er dan ook niet tegen als iemand bijvoorbeeld ziek was of als ik bijvoorbeeld afsprak met een vriendin en zij me vertelde dat ze geen ontbijt had gehad, terwijl ik al wel ontbijt op had. Dan was ik niet meer de beste. Dan kreeg ik het gevoel dat ik faalde in anorect zijn.

 

Zelfs in de relaties die ik kreeg speelde dit thema. Ik vond het verschrikkelijk om samen te eten en dat zorgde vaak voor veel drama. Wanneer dat dan eindelijk lukte, was ik heel erg gefocust op wat mijn partner at. Ik wilde dat ontzettend graag loslaten, maar het voelde alsof ik dat niet kon. Ik vond het verschrikkelijk om daar constant mee bezig te zijn en dat er daardoor ook weinig ruimte in mijn hoofd was voor andere dingen. Tijdens eetmomenten voelde ik eigenlijk een constante spanning. Want wat nou als mijn partner weinig zou eten en ik eigenlijk nog honger had? Ik mocht daar niet naar luisteren van mezelf, naar mijn honger. Ik vertrouwde niet op mijn lichaam en de signalen die het mij gaf. Ik wilde alles controleren en berekenen. 

 

Jarenlang heb ik dat patroon volgehouden. Je kunt je voorstellen dat zo’n patroon dan ontzettend moeilijk is om te doorbreken. Toch merkte ik dat het me steeds meer in de weg begon te staan. Ik zette namelijk steeds meer stappen op het gebied van eten, maar deze regel bleef ontzettend belangrijk. 

 

Gelukkig durfde ik er uiteindelijk over te praten. Ook begon ik me steeds meer af te vragen waarom die regel nou zo belangrijk voor me was? Waarom was het zo moeilijk om deze regel te doorbreken?

 

Voor mij had het vooral ermee te maken dat ik mezelf nooit voorop durfde te zetten. Dat ik mijn hongergevoel niet durfde te vertrouwen en dat ik alleen maar ‘goed genoeg’ was als ik ‘sterk’ zou zijn. In mijn hoofd was ik dus sterk als het me lukte om minder te eten dan de ander. Het had er ook mee te maken dat ik hier de beste in was: dat ik de beste was in het minste eten. Hoewel het belachelijk klinkt als ik het hier zo uittyp, was dit wel enorm belangrijk voor me… En enorm beangstigend om te gaan doorbreken.

 

Ik weet nog hoe eng het was om de eerste keer meer te gaan eten dan mijn partner. Dat ik moest leren om alle destructieve gedachtes te verdragen die er vervolgens op me afkwamen. Ook hierin heeft het mij enorm geholpen om het niet alleen te doen; om mijn gedachtes en gevoelens te delen. Hoe belachelijk ze ook voelden en hoe erg ik me er ook voor schaamde.

 

Wat ben ik blij dat ik nu niet meer constant bezig ben met wat anderen eten. Dat ik niet meer tel hoe veel calorieën anderen al naar binnen hebben gewerkt, zodat ik vervolgens kan berekenen hoe veel ik mag eten. Ik durf eindelijk te vertrouwen op mijn lichaam. Op mijn hongergevoel. Ook als een ander niks eet, mag ik iets eten. Ik durf voor mezelf te zorgen. Voor mezelf te kiezen. En ik besef me nu pas hoe belangrijk het was om dat patroon te doorbreken…

 


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.